Someone’s work,

Kopjes

Zwerend praat je langs het aangeslagen mos op hekken,
warme druppels over je tenen, die één worden als vlies,
Glooiende heuvels troosten zestig yaks van hun kale bergen,
Nee schudde je, en daar wankelde ze.

Mollig en zacht vormde de wolken een donkere speer,
met kringen in haar ogen, met kringen in haar ogen.
De wolken in haar ogen telkens op dezelfde plek.
Geeft niet dat onzuivere zever zoet is als het mos.

Dat als stof je hersens zeult met dertien zeugen,
Neem afstand van de zwaar beklede trap. Zocht het blauw
van Shakespeare, frambozen toppen
Met het takje er nog aan zonder het in brand te steken.

Alsof het dan krult. Zijn zwarte krullen recht op recht.
En zij keek halfhoog omhoog. En zij half omlaag om in een halve
stap te stoppen. Ik heb iets geschrokt, van dat alles,
is er; dat ik tegenkom.

Reacties

Plaats een reactie