Poem van mij

Het bed

Zocht jij, even glanzend als een lantaarn in de mist,
de grillige kou van een adem onttrokken op dat glas
waarin beesten vertolken dat het oponthoud genas.
En de morgen brak aanslaat en je het nog wist.

Liefst, op mooi en de telgen van spoed,
smerige kortsten evenaren die korte schaduw
op het middaguur met het witte vel dat schreeuwt -uw!
Lief, zowaar heb ik niet opgelet in ’t boet.

Zegt ’t me; wanneer ik misselijk ben,
‘eet dan even wat’
En ik word niet een nest, wel boven.

Want heb ik met het beurse van mijn lijf
een stank verspreid – die word gekust
ik verheul dat soms – uitgerust.

Reacties

Plaats een reactie